Geluksvogel vliegt van Hoogeveen naar Terschelling. Mei 2009

Mei 2009: Voor het eerst sinds twintig jaar was ik met de meidagen niet op het wad. Een unieke treurigheid. Voor mij. Ik wist me geen raad, liep met mijn ziel onder de arm, ik was uit mijn hum en voor mijn omgeving ongenietbaar. Ik voelde als een Japanse oester in de koelkast van de Lidl.

Om aan mijn primaire waddenbehoefte in het voorjaar te voldoen, moet ik echt rond 30 april in Harlingen inschepen. De ruisende zee, de zilvermeeuwen die je wekken bij het krieken van de dag, de fazanten, de duinkonijnen, ik moest het allemaal missen. De eerste teencontacten met de Noordzee, de primeur van het eerste cranberrygebakje van het jaar, De Walvis, De Rustende Jager, de ochtendtrimloop langs de Longway, de avondlampen van de Brandaris, nee, dit alles dit jaar niet voor mij. Ik was een vogel zonder vleugels.

Woensdag, donderdag en vrijdag hield ik het nog een beetje uit, maar zaterdag 2 mei werd het mij te machtig. Mijn waddenontwenningsverschijnselen namen coldturkey achtige vormen aan: ik sliep niet meer, ijsbeerde het hele huis door en vond nergens rust. Een kip zonder kop dus.

Teneinde raad bel ik mijn goede oude vriend Harry, de trotse eigenaar van de Ryan PT 22A, een two sitter uit 1941. Ik werp al mijn charmes en verbale trucjes in de strijd om mijn vliegende vriend over te halen mij over mijn verslaving te vliegen. Na veel toezeggingen (een driegangendiner bij restaurant Geertien in Muggenbeet, zijn vliegtuig cleanen en nooit meer zeuren) is mijn eigen Antony Fokker bereid mij over de Waddenzee te vliegen.

Wij reizen eerst af naar Hoogenveen Airport waar zijn Dutch classic staat: een aluminium roofvogel van  8,5 meter lang met een twee kanariegele vleugels van 11,5 meter. Zo’n hoogvlieger lust wel een slokje, dus moet er eerst 80 liter benzine in de tank voor een motor van bijna 9 liter met vijf cilinders.

Na een oneindige hoeveelheid checks en double checks wordt na een uur de propeller aangeslingerd voor mijn eerste waddenvlucht. Ik zit voorin en waan met in de Tweede Oorlog toen deze in Californië gemaakte kist gebruikt werd als primaire trainer voor aankomende vliegeniers. Ik waan me zo’n piloot en speur voor in de cockpit het te veroveren gebied af als een zeearend.

Via Appelscha, Drachten, Dokkum  en talloze terpen met historische geloofsmonumenten bereiken we met een kruissnelheid van zo’n 145 km per uur ( 90 miles per uur voor de liefhebbers) na 40 minuten de Waddenzee. In de verte vaart de Oerd van Ameland naar Holwerd. De verschillende tinten blauw en grijs water markeren het diepteverschil op het wad. Een eenzaam charterschip laat een witte handtekening achter in het ondiepe water.

500 meter onder me zie ik de oude buitendijkse kwelders met hun historisch rechte lijnen en de ondiepere geulen herkenbaar aan hun witte golfjes. De eerste zandplaten tussen Schier en Ameland doemen op. Via het westen vliegen we langs de vloedlijn naar Ballum Airport. We landen vlekkeloos op het centre court, nadrukkelijk aangekeken door tientallen hongerige scholeksters en patatetende toeristen. De vissoep bij Hotel Nobel smaakt goddelijk en wij vervolgen onze vluchtroute richting Terschelling.

Het Amelander gat ligt er rustig bij en op de Boschplaat ontwaar ik het reddingshuisje in Madurodamformaat. Wat ik wandelend nooit goed zie, valt me nu vanuit de lucht op: de veelkleurigheid in de slenken in groen, grijs en bruin. Bij de Eerste Slenk zie je de bijna doorbraken tussen de Waddenzeekant en de Noordzeekant. Hoeveel springtij zal het nog duren voordat een oostelijk stuk van de Boschplaat zich afscheidt van Terschelling?

We vliegen over de Grië, de bedijkte kweldergebieden  met hun eendenkooien en naderen  snel de toeristische wereld van  verharde wegen, hotels, bungalows en campings. Op West ligt de haven vol plezier. De vrije vogels zoeken surfend hun windroute onder de Noordsvaarder.

Ik scheer als een mantelmeeuw in no time over mijn waddenliefde van oost naar west. Nooit eerder bekeek ik haar van deze kant. Ik laat mijn lief verder met rust en ik weet dat het goed is.

Ik zwaai naar de grote stern, de noordse stern en de visdief op het onbewoonde eilandje Griend en de wadvaarders bij de Pollendam. Ik staar in de snel voorbijtrekkende wolken en verlang naar een weerzien met mijn geliefde op korte termijn. Met Oerol om ook weer in hogere sferen te raken. Ik voel me een geluksvogel. Ik ben een een geluksvogel met zo’n vriend en met de wadden binnen handbereik. Ik kan de wereld weer even aan. Hopelijk geldt het omgekeerde ook.

Reacties
Alle reacties
Reacties